Wie ’s avonds door Walking Street loopt, ziet eerst de lichten.
Dat is logisch. Pattaya is gebouwd om je ogen te vangen voordat je verstand de kans krijgt om vragen te stellen. Neon in roze, blauw en rood. Muziek die uit open bars de straat op knalt. Meisjes op hoge hakken bij de ingang. Glimlachen. Handen die wenken. Lachende toeristen met een biertje in de hand. Mannen die denken dat ze voor één avond weer twintig jaar jonger zijn.
En tussen al dat lawaai zie je ze staan.
De bargirls.
Soms dansend. Soms hangend aan een tafel. Soms met een shotglas in de hand. Soms al zo ver heen dat hun ogen niet meer goed volgen wat hun mond zegt. Je ziet ze lachen, drinken, roepen, flirten, nog een shot nemen, nog een glas accepteren, nog een klant proberen vast te houden.
De onervaren toerist denkt dan al snel: die meiden houden gewoon van feesten.
Maar dat is een makkelijke leugen.
Een comfortabele leugen.
Want als je iets langer kijkt, zie je dat het vaak geen feest is. Het is werk. Hard werk. Nachtwerk. Emotioneel werk. Werk waarbij je lichaam, je glimlach, je stem, je aandacht en je zelfvertrouwen iedere avond opnieuw verkocht moeten worden aan mannen die je niet kent.
En daar begint het probleem.
De meeste meisjes komen niet naar Pattaya als geboren jagers van de nacht. Ze komen niet uit hun dorp met het natuurlijke talent om vreemde mannen uit Engeland, Duitsland, Australië of Nederland zonder angst aan te spreken. Veel van hen zijn juist verlegen. Stil. Opgegroeid in een dorp waar iedereen elkaar kent, waar je moeder weet waar je loopt en waar een meisje leert om netjes, beleefd en voorzichtig te zijn.
Dan komen ze in Pattaya terecht.
Ineens staan ze in een bar vol lawaai. Vijftig meisjes in dezelfde ruimte. Allemaal op zoek naar aandacht. Allemaal met dezelfde druk. Drinken verkopen. Klanten vasthouden. Lady drinks scoren. Genoeg verdienen om de kamer te betalen, de make-up te kopen, de schuld af te lossen en geld naar huis te sturen.
Niemand wacht daar rustig tot jij over je onzekerheid heen bent.
De bar draait door.
De muziek stopt niet omdat jij bang bent.
De klant kiest gewoon iemand anders als jij te stil bent.
Dus zoeken ze iets om de angst uit te schakelen.
Eerst is het één drankje.
Dan twee.
Dan een shot voordat de avond begint, alleen om los te komen. Alleen om niet te trillen wanneer je naar een vreemde man toe loopt. Alleen om te kunnen lachen wanneer je eigenlijk weg wilt. Alleen om te kunnen praten terwijl je hoofd zegt dat je dit niet wilt, maar je portemonnee zegt dat je geen keuze hebt.
Alcohol wordt dan geen plezier meer.
Het wordt gereedschap.
Een sleutel om een deur open te breken die anders dicht blijft. Een manier om schaamte zachter te maken. Om angst te verdoven. Om jezelf even te veranderen in iemand die brutaler is, sneller lacht, makkelijker flirt en minder voelt.
Maar Pattaya is niet voorzichtig met mensen die iets nodig hebben om te functioneren.
Wat begint als hulpstuk, wordt langzaam een ketting.
Elke avond een beetje meer. Niet meteen dramatisch. Niet meteen zichtbaar. Eerst lijkt het nog onder controle. Ze kan werken. Ze kan lachen. Ze kan geld verdienen. Ze kan na sluitingstijd nog mee eten met vriendinnen. De volgende dag is ze moe, maar ze staat weer op.
Tot haar lichaam begint te wennen.
Tot haar hoofd zonder drank niet meer stil wordt.
Tot nuchter zijn niet meer voelt als normaal, maar als gevaarlijk.
Dan komt er iets anders bij. Pillen. Poeders. Middelen waarvan niemand precies wil weten wat erin zit, zolang ze maar helpen om wakker te blijven, dun te blijven, vrolijk te blijven of niets te voelen. Soms begint het via een vriendin. Soms via een klant. Soms via iemand in de scene die zegt dat het meevalt.
Het valt zelden mee.
Want het probleem is niet alleen dat ze gebruiken.
Het probleem is waarom ze gebruiken.
Niet om vrij te zijn.
Maar om zichzelf tijdelijk uit te schakelen.
Daar zit de koude werkelijkheid achter de nacht. Achter de glitter, de korte jurkjes en de luide muziek schuilt vaak pure paniek. De paniek om niet genoeg te verdienen. De paniek om ouder te worden in een wereld waar jeugd geld waard is. De paniek om klanten te verliezen aan meisjes die jonger, brutaler of mooier zijn. De paniek om thuis uit te leggen dat er deze maand minder geld komt.
En ondertussen blijft de familie vragen.
Moeder heeft een rekening. Een broer heeft een ongeluk gehad. Een kind moet naar school. De huur moet betaald. De telefoon moet worden opgeladen. De schuldeiser wacht niet. Het dorp ziet alleen dat zij in Pattaya werkt en dus geld zou moeten hebben.
Niemand vraagt hoeveel nachten het kost.
Niemand vraagt hoeveel drank daarvoor nodig is.
Niemand vraagt wat er langzaam kapotgaat.
In het begin denken veel meisjes nog dat ze het slim aanpakken. Even drinken om te durven. Even iets nemen om door te gaan. Morgen stoppen. Volgende week rustiger aan. Na dit hoogseizoen minder. Als de schuld is afbetaald, dan wordt alles anders.
Maar Pattaya leeft van uitstel.
Morgen is altijd later.
En ondertussen wordt het brein moe.
Dat is het deel dat toeristen niet zien. Ze zien de dronken lach, de wilde dans, de grote mond. Ze zien niet wat er onder die buitenkant gebeurt. Een hoofd dat maand na maand wordt gesloopt door drank, slaaptekort, stress en verdoving. Een lichaam dat nooit echt herstelt. Emoties die niet meer normaal opkomen, maar ontploffen of helemaal verdwijnen.
Dan hoeft er maar één grote klap te komen.
En in Pattaya komen die klappen altijd.
Een klant die haar voorliegt. Een zogenaamde vriend die geld leent en verdwijnt. Een farang die belooft haar uit de bar te halen, maar na drie weken terugvliegt naar zijn vrouw. Een online gokschuld die begint met hoop en eindigt met bedreigingen. Een familiecrisis thuis. Een ziekte. Een arrestatie. Een kamerhuur die niet betaald kan worden.
Voor een nuchter mens zou zoiets al zwaar zijn.
Voor iemand van wie het hoofd jarenlang chemisch is uitgeput, kan het alles breken.
Dan verdwijnt logica.
Dan verdwijnt remming.
Dan verdwijnt het vermogen om een probleem kleiner te maken dan het voelt.
Alles wordt direct. Alles wordt paniek. Alles wordt einde van de wereld.
Je ziet het soms op straat.
Niet in de bars, maar eromheen.
Op Beach Road. Bij Tree Town. In zijstraten waar het licht net iets minder fel is. Vrouwen die ooit scherp waren, snel van tong, mooi opgemaakt en vol leven. Nu lopen ze zonder doel over de stoep. Haar in de war. Ogen leeg. Soms pratend tegen niemand. Soms lachend op een manier die niet bij de situatie past. Soms zittend op een randje beton, met een plastic zak naast zich en een blik alsof ze ergens halverwege zichzelf zijn kwijtgeraakt.
Dat zijn geen feestbeesten.
Dat zijn resten van een systeem.
Mensen noemen ze gek. Lastig. Verslaafd. Afgeschreven.
Maar bijna niemand wil terugkijken naar het begin.
Naar het meisje dat ooit uit een dorp kwam en bang was om de eerste klant aan te spreken. Naar het eerste drankje dat haar hielp om niet te bevriezen. Naar de eerste nacht waarin ze ontdekte dat verdoving werkt. Naar de eerste keer dat iemand zei: neem dit, dan voel je je beter. Naar de eerste maand waarin ze dacht dat ze controle had.
Niemand wordt in één avond een geest van Beach Road.
Dat gebeurt langzaam.
Stap voor stap.
Glas voor glas.
Nacht na nacht.
En wat het nog harder maakt, is dat de omgeving eraan gewend raakt. In Pattaya kijkt niemand lang op. Een meisje dat te dronken is? Normaal. Iemand die schreeuwt op straat? Gebeurt vaker. Iemand die met lege ogen rondloopt? Nog één van velen. De stad heeft een maag die bijna alles kan verteren, zolang er geld blijft circuleren.
Dat is misschien het koudste deel.
De machine stopt niet.
Een meisje valt uit, een ander neemt haar plaats in. Een bar verliest één gezicht, maar de muziek blijft draaien. De stoelen worden opnieuw gevuld. Nieuwe meisjes komen aan met tassen, hoop, schulden en onwetendheid. Ze kijken naar de oudere vrouwen en denken: mij gebeurt dat niet.
Bijna iedereen denkt dat in het begin.
Tot de nacht langer wordt dan verwacht.
Tot de drank geen keuze meer is.
Tot de middelen niet meer voor plezier zijn, maar voor normaal functioneren.
Tot stilte ondraaglijk wordt.
Tot nuchter zijn voelt als straf.
Soms kom je iemand tegen van vroeger. Iemand die je nog kent van een tijd dat haar ogen helder waren. Ze maakte grappen. Ze had plannen. Misschien wilde ze een salon openen. Misschien een huis bouwen voor haar moeder. Misschien genoeg sparen om terug te gaan naar haar kind.
Dan zie je haar jaren later lopen.
Niet oud, maar versleten.
Niet dood, maar ook niet echt aanwezig.
Je zegt haar naam. Soms reageert ze. Soms niet. Je geeft een klein bedrag. Niet omdat geld het probleem oplost, maar omdat er op dat moment niets anders is. Je glimlacht verdrietig. Zij glimlacht misschien terug. Daarna loopt ze verder.
En jij blijft staan met het besef dat sommige mensen niet ineens verdwijnen.
Ze vervagen.
Pattaya heeft veel gezichten. Voor toeristen is het een speeltuin. Voor mannen met fantasieën is het een stad vol mogelijkheden. Voor ondernemers is het handel. Voor de meisjes is het vaak een gok met hun lichaam, hun jeugd en hun geest als inzet.
Sommigen redden het.
Sommigen verdienen, sparen, vertrekken, bouwen iets op.
Maar anderen worden opgeslokt.
Niet altijd door één slechte man. Niet altijd door één verkeerde keuze. Vaak door een combinatie van druk, familie, geld, alcohol, middelen, slaaptekort, schaamte, schulden en een stad die nooit vraagt hoe het echt met je gaat.
Daarom moet je voorzichtig zijn met oordelen wanneer je een bargirl ziet die te veel drinkt of compleet van de wereld lijkt.
Dat gedrag is niet altijd rebellie.
Niet altijd domheid.
Niet altijd feest.
Soms is het angst met lippenstift.
Soms is het trauma op hoge hakken.
Soms is het een meisje dat ooit te bang was om een vreemde man aan te spreken en nu zonder verdoving niet meer weet hoe ze moet bestaan.
De neonlichten van Pattaya maken alles mooier dan het is. Ze verzachten rimpels, verbergen tranen en geven zelfs kapotte nachten een glanslaag. Maar achter dat licht zit een harde waarheid.
De nacht geeft moed.
Maar vaak alleen op krediet.
En vroeg of laat komt Pattaya de rekening halen.